Verhalen uit de familie Habermehl

Artikelindex

In deze bijdrage beschrijven vier personen hun herinneringen aan de familie Habermehl. Het zijn:

Ant Habermehl-Schellingerhout (1913-1991; moeder van Carla)
geboren te Tolhuis, trouwde in 1935 met bakker Nicolaas Habermehl (1913-1961) uit Nieuwveen. Zij vestigden zich te Voorburg, waar zij samen in de Prinses Mariannelaan een gerenommeerde brood- en banketzaak opbouwden.

Jan Habermehl (1917-1997; vader van Nico)
geboren op de molen ‘Het Fortuijn’ te Nieuwveen, trouwde in 1945 te Alphen aan den Rijn met Geertruida Maartje Raaphorst (geb 1918).

Nel Habermehl-Buijtenhek (1913-2006)
Pietronella Helena Elizabeth Buijtenhek trouwde in 1945 te Nieuwveen met Piet Habermehl (1915-1968), geboren op de molen ‘Het Fortuijn’. Zij emigreerden in 1949 naar Australië.

Jans Kapteijn-Reijneveld (1917-2000)
was een dochter van Wilhelmina Cornelia (Mien) van Bemmel woonachtig te Nieuwveen op de hoeve ‘Livonia’ en Agerinus Reijneveld. Zij trouwde in 1942 met  Paulus Kapteijn (1913-1983).

 

Deze familieherinneringen werden geschreven op verzoek van Carla Gortemulder-Habermehl (geb 1943).

Nico Habermehl (geb 1946) bewerkte de bijdragen en stelde de foto's beschikbaar.


Ant Habermehl-Schellingerhout

Opa Schellingerhout en opoe Schellingerhout-Borst hadden een gezin met vijf kinderen, vier dochters: Grietje, Teuntje, Toontje, Stijntje, en één zoon: Henk. Grietje, getrouwd met Henk Möhle, woonde op een tuinderij op Tolhuis en had zes kinderen. Teuntje was getrouwd met M. Vossepoel en had vier kinderen. Toontje was getrouwd met Albertus Hogendorf, eerst tramconducteur en later bakker. Zij woonden in Den Haag en hadden een zoon. Stijntje is jong overleden. Ik heb haar niet gekend. Henk, de enige zoon, was getrouwd met Clara van Egmond. Zij woonden op Tolhuis en hadden zes kinderen: Rie, Ant, Dirk, Piet, Stijni en Henk.

Opoe Schellingerhout had een kruidenierszaak aan de Bilderdam. Zij was een dikke vrouw die veel in het zwart gekleed ging. Opa Schellingerhout werkte bij een boer. Tijdens de hooibouw liep hij een zonnesteek op waar hij een tik aan heeft overgehouden. Hij beefde en kwijlde en was daardoor wat eng om te zien. Hij is niet oud geworden, ongeveer 48 jaar. Opoe heeft daarentegen lang geleefd. Zij is in mijn ogen nooit jong geweest. Later zijn ze op Tolhuis komen wonen, naast zoon Henk. Zij waren op elkaar aangewezen.

Toen opoe oud werd, moesten Rie en ik altijd op schemeravond bij haar voorlezen of spelletjes doen. Ik moest vaker dan Rie, omdat zij te druk was. Opoe had een leuk glazen theelichtje waarop een boertje met een juk en twee emmertjes, een broekenmannetje met een scheepje, een koe in de wei en nog een boerenvrouwtje stonden afgebeeld en dat altijd brandde als ik kwam. Dan zette zei een potje thee voor ons. Om zes uur moest ik dan weer naar huis om te eten. Als ik groot was, zou ik het lichtje mogen hebben. Zo is het ook gebeurd. Ik heb het op de Prinses Mariannelaan in Voorburg nog gehad, maar daarna is het verdwenen.

Opoe is over de 70 jaar oud geworden. Dat was oud vroeger. Zij is begraven in Nieuwveen. Omdat de Amstel was bevroren, moest zij over het ijs heen naar Nieuwveen worden vervoerd. Zij was zo zwaar dat wij bang waren dat ze door het ijs zou zakken. Maar ze hadden planken over de schotsen gelegd, dus liep het goed af, maar het was wel een toestand. Normaliter verliep het transport met een roeiboot.

Als kinderen moesten wij in Nieuwveen naar school, 2½ km per keer lopen, dus 5 km per dag. Elke morgen om acht uur van huis en half vijf weer terug, boterhammen mee. Tegenwoordig worden de kinderen gebracht of gaan ze op de fiets als ze groter zijn. Ik heb een goed thuis gehad, zij het weinig geld, maar daar had je geen idee van. Wel moest ik veel meewerken in de tuin.

Toen ik twaalf jaar was, heb ik zes weken bij een zieke mevrouw met een open been geholpen. Daarna ben ik al snel als hulp naar de familie Speelman gegaan. Dominee Speelman was altijd erg bezorgd voor mij. Dat leverde commentaar van de anderen op. Het was voor mij een afwisselend bestaan. Zoals je weet, ben ik daar lang gebleven. Mijn verloving was nog bij de familie Speelman. Dominee zij toen tegen mij: ‘Kindje, kindje, nu geef je eerst je hart aan Nico en niet aan de Heer’. Dat je zoiets zo lang onthoudt. Maar ik heb hem gerust gesteld en gezegd dat wij samen naar de belijdenis zouden komen. Dat is ook zo gebeurd.

Met het trouwen was het erger. Hij vroeg mij: ‘Welke tekst?’. Ik zei: ‘Dat moet u maar doen. U weet het zo goed’. En daar kwam hij met de tekst: ‘Gaat heen en vermenigvuldigt u’. Ik schrok en was gewoon even van de kaart. De dag is verder leuk verlopen. Hartstikke koud. Nu, verder weet je het wel: winkeltje spelen, kinderen gekregen, uit de Schlegelstraat gegroeid en toen naar de Prinses Mariannelaan verhuisd. Ook daar gebeurden leuke en nare dingen.

De familie Van Egmond. Pieter van Egmond en Antje van Egmond-Kempenaar. Zij woonden op een grote boerderij in Nieuwveen met veel land en fruitbomen, koeien en dertien kinderen, acht meisjes: Tien, Aagt, Inge, Neeltje, Antje, Aaltje, Claartje, Cornelia, en vijf jongens: Wim, Keesjan, Cor, Rene, Bart. Opa en oma zijn jong overleden, respectievelijk op de leeftijd van 49 en 54 jaar. Ik heb ze dan ook niet gekend. Wel weet ik dat Wim de boerderij moest doen en rijk is geworden. De kinderen trouwden de een na de ander. Ik heb al de tantes gekend en van de ooms vier. Eén was naar Amerika geëmigreerd: Keesjan.

Oom Bart was een zwerver. Hij had een erg lief karakter, maar was te goed van vertrouwen. Vandaar dat hij het slechte pad is opgegaan. Hij dronk zijn verdiende geld op en dan was het mijn vader die hem weer ophaalde en moeder die zijn goed waste. Dat is verschillende keren gebeurd. Bij ons thuis was hij altijd gezellig. Hij was beurtschipper. Als hij dan met geld in Amsterdam was, kwam hij weer blut terug. Toch heeft hij een vrouw gevonden, één die een kind had. Nu, dat ging dan weer goed. Toen ze zes kinderen had, werd ze ziek. Opnieuw ging het fout. De kinderen zijn toen bij familie ondergebracht. Hij is in Amsterdam op zijn boot vermoord. Dat was een hele toestand.

De familie Habermehl was een gezellig gezin met een christelijk standpunt. Sijtje was niet getrouwd, maar wel de verpleegster die haar persoon liet gelden. Zij was graag bij ons en dat ging zo tot ze met een medeverpleegster (zuster Koning) in Amsterdam een tehuis opende waar genezende mensen werden opgevangen. Zij is bij haar zus Marleen in bad verdronken. Rie trouwde met Jan Speelman. Een groot, leuk gezin. Onze trouwdag was koud, maar leuk. Daarna was het hard werken. Ik ben dankbaar voor de goede en mooie tijd. Daarna het gemis van je vader, zo onverwachts. Vervolgens een dubbele taak. Gelukkig zijn de kinderen gezond en hebben werk.

Zelf heb ik nu een rustig leventje. Maar ik zit nog niet stil. Maar ik kan ook niets doen als ik geen zin heb. Alle kinderen met verjaardagen en tussendoortjes bezoeken en dan weer naar mijn eigen huisje. Ik ben dankbaar voor al het goede, ook wat de gezondheid betreft. Een grote familie en kennissen- en burenkring. Dus reden om dankbaar te zijn.

Voorburg, 25 mei 1986


Jan Habermehl

Ik heb meer familie niet gekend dan wel, te beginnen met mijn grootouders. Zij waren reeds overleden toen ik werd geboren of stierven anders heel kort daarna. Zo ook mijn vader Nikolaas, die luisterde naar de naam Klaas. Hij overleed in januari 1918 ten tijde van de Spaanse griepepidemie, die in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog in Nederland woedde 1).

Mijn grootouders van moeders kant heetten Van Bemmel. Zij waren koeboer in Zeist. Omstreeks de eeuwwisseling vestigden zij zich in Nieuwveen op de boerderij ‘Livonia’. Mijn moeder had, voor zover ik ze gekend heb, drie zusters: tante Toontje, tante Mina en tante Sijt, en twee broers: ome Bas en ome Celis. Ome Bas van Bemmel uit Woerden was voor mij de bekendste. Daar kwam ik graag.

Vader is in 1878 te Nieuwveen op de korenmolen ‘Het Fortuijn anno 1800’ geboren. Hij had drie zusters. De oudste, Christina, was gehuwd met Sjoerd Voetberg, afkomstig uit Heerenveen. Zij zijn naar Amerika vertrokken. Een dochter van hen, Hilda, is omstreeks 1950 in Nederland geweest. Zijn andere twee zusters, Maria Petronella en Trijntje, zijn ongetrouwd gebleven. Na het huwelijk van mijn vader en moeder vestigden zij zich eerst in Nieuwkoop en later in Alphen aan den Rijn. De tantes voorzagen in hun levensonderhoud door het houden van commensaals (kostgangers). Beiden waren vaardig in handwerken. Zij hadden donkere ogen. De ogen van mijn moeder waren grijs-groen.

Moeder is op 9 februari 1878 in Zeist geboren. Later is zij met haar ouders naar Nieuwveen gekomen. Hier heeft zij haar man ontmoet. Zij zijn in 1903 getrouwd. Haar leven is niet over rozen gegaan. Zelf heeft mijn moeder, voor zover ik kan nagaan, nooit over dat moeilijke leven gesproken. Het gezin Habermehl heeft uit elf kinderen bestaan, waarvan een aantal jong aan ingewandstoornissen is overleden. Eén jongetje is op driejarige leeftijd verdronken. Toen vader en moeder Habermehl naar een bruiloft waren, had opa Van Bemmel het toezicht over de kinderschaar. In een onbewaakt ogenblik is Petrus Marcelis te water geraakt en verdronken. Dit heeft haar erg getroffen. Zij ging nooit weg en nu ze een keer Nieuwveen verliet, overkwam haar dit. Van ome Jan Jonker heb ik gehoord dat dit wel één van de zwaarste klappen voor haar is geweest.

Vader overleed zoals gezegd in januari 1918, slechts 39 jaar oud. Mijn moeder bleef achter met een bedrijf en zeven jonge kinderen. Enkele maanden na het overlijden van mijn vader is er nog een kind geboren, Bastiaan, maar hij heeft slechts een maand geleefd. Droefenis alom, maar het leven ging door. Nu was mijn oudste broer Dirk circa dertien jaar oud toen mijn vader overleed. Hij moest op de molen werken, samen met de twee of drie knechts. Onder hen bevond zich de vader van je oom Wim van Harten, een zeer aangenaam mens, aan wie ik nog wel eens terugdenk. Toen kwam het jaar 1923. Er heerste in die dagen een tyfusepidemie. Dirk, voorbestemd als molenaar, werd ziek en overleed binnen een week. Ik was zes jaar oud en herinner mij daar nog iets van.

Na het overlijden van Dirk waren er nog zes kinderen van wie tante Sijt de oudste was. Zij heeft hard meegewerkt om de zaak draaiende te houden. Omdat het zakenleven voor een vrouw moeilijk was, de concurrentie toenam en je vader nog maar een jaar of tien à elf was, werd besloten de molen te verkopen. Dat zal omstreeks 1925 zijn geweest. De molen is verkocht aan de uit Aarlanderveen afkomstige P.C. Walraven, die er nog zo’n tien jaar mee heeft gemalen. Hij heeft de molen in 1935 laten afbreken. ‘Het Fortuijn anno 1800’ bestond niet meer. Maar wel de weduwe Habermehl met haar zes kinderen. De oude dorpsgenoten noemden mijn moeder ‘de vrouw van de molen’.

Moeder Habermehl is 70 jaar oud geworden. Zij is in Nieuwveen blijven wonen. Er is een hechte band geweest tussen de broers en zusters Habermehl die door de omstandigheden naar elkaar toe werden gedreven. Niet dat we zo gemakkelijk waren. Dat niet, want we trokken aan de teugels. Vooral Piet en ik. De anderen waren wat ouder en vermoedelijk wijzer. Jouw vader was als kind vrij stil. Hij had een vriend, Jan van Egmond, een neef van je moeder, ook al niet zo’n druktemaker. Je moet maar rekenen dat die twee pantomime speelden, want ze zeiden weinig of niets. Je vader ontmoette Ant Schellingerhout met wie hij zich op 9 februari 1932 verloofde. Het was een koude dag. Zij trouwden op 4 april 1935, een slechte dag met storm en regen. Het zijn dagen die ik niet vergeet.

De familie Schellingerhout uit Tolhuis heeft zeker een rol in ons leven gespeeld. Wij gingen vriendschappelijk met elkaar om, vooral met je ome Dirk, ome Piet, tante Rie en tante Stijni. Met je ome Henk trokken we minder op. Die was wat jonger. Je grootmoeder en naamgenote, door ons tante Klaar genoemd, was een buitengewoon lieve vrouw. Met je grootvader ome Henk waren we ook wel groots, maar anders. Je moet begrijpen dat wij geen vader gewend waren. Als één van mijn vriendjes een schrobbering of een pets om zijn oren kreeg, heb ik wel eens in stilte gedacht: ‘Die klap loop ik lekker mis, want de vader die dat doet, is afwezig’. Dat wil overigens niet zeggen dat mijn moeder met zich liet sollen.

Mijn moeder was altijd donker gekleed. Zij was een stille vrouw, maar toch ook één die kon lachen. Als ze op haar verjaardag een cadeautje kreeg, zei ze: ‘Bedankt’ en legde het pakje ongeopend weg met de mededeling dat ze het later wel zou bekijken. Op een dag was Rie jarig. Na een dag vergeefs wachten zei ze ’s avonds tegen haar moeder: ‘Zou je me niet eens feliciteren?’ ‘Waarmee dan?’ vroeg moeder. ‘Nou, omdat je dochter Rie vandaag toevallig jarig is’. Ze had er in het geheel niet aan gedacht. Op een dag kwam je moeder op bezoek. Zij had een deftig hoedje op. Met de woorden: ‘Zo moeder, daar ben ik’, begroette zei haar schoonmoeder. Zonder dat er naar gevraagd werd, zei moeder Habermehl: ‘Die hoed heb je zeker op de markt gekocht?’. Of ze wou zeggen: ‘Had je niet wat anders kunnen kopen?’

Wat ik uitdrukkelijk wil zeggen, is dat mijn moeder een zwaar leven heeft gehad. Maar ze bezat een vitale kracht en die vond ze volgens mij in het geloof. Zij had een Vader in de Hemel waar zij zeker mee gevochten heeft, maar die haar vasthield en haar door alles heen leidde. Hopende dat dit ook van ons gezegd kan worden.

Zwolle, april 1986

---
1) Dat Nikolaas Habermehl in januari 1918 aan de Spaanse griep is overleden, is onwaarschijnlijk, aangezien deze ziekte pas in de zomer van 1918 in Nieuwveen heerste. Waarschijnlijk is hij gestorven aan de tyfus, zoals in het verhaal van Nel Habermehl-Buijtenhek valt te lezen.


Nel Habermehl-Buijtenhek

Ome Piet en ik hebben een paar jaar bij oma in huis gewoond voordat ze stierf. Als zij dan met Cees of Leen op schoot zat, kon ze zo mooi van vroeger vertellen. Haar vader [Petrus Marcelis van Bemmel] was eigenaar [pachter] van de boerderij ‘Livonia’ waar nu Reijneveld woont. Er waren vier meisjes en twee jongens. Oma, tante Mina en tante Toontje werkten op de boerderij. Zij hielpen met melken, kaas en boter maken en met slachten en inmaken. Voor alle dochters moest er een veren bed en kussens worden gemaakt, voor als ze gingen trouwen. Die veren kregen ze door het dons te vergaren dat aan de nek van kippen en eenden zat. De tijk, die gebruikt werd om de veren in te doen, werd met kaarsvet ingewreven. Dat vergde veel werk. Toen ik naar Australië ging, heb ik dat bed meegenomen en er later kussens van gemaakt. Daarbij heb ik hetzelfde tijk gebruikt dat oma en haar zussen bewerkt hadden om de veren er in te houden. Toen ik niet genoeg had, kon ik van een Poolse man tijk kopen dat met de machine was gemaakt. Het was erg duur.

Ome Bas had een boerderij in Woerden. Hij had twee zoons en twee dochters. Het was daar echt gezellig en je was er altijd welkom. Het was een ouderwetse boerderij met het woonhuis op slot. Ze woonden in een kamertje opzij van de koestal. Ome Piet en ik waren er een keer per fiets op visite. Voordat we vertrokken, vroeg ik een van de meisjes waar de W.C. was. Ze keek even in het rond en zei toen: ‘Die is buiten’, en ze wees me waar het was. Ik durfde er bijna niet naar binnen te gaan, zo schoon was het. Toen ik terugkwam, zat een van de meisjes het hare in de groep te doen. Geen wonder dat ze de plaats van de W.C. was vergeten en dat het er zo schoon was.

Tante Mien trouwde en woonde daarna op een boerderij bij Leiden. Zij hadden een dochter: Jans. Zij had een vriend die vaak ’s avonds op bezoek kwam. Omdat Jans niet zo sterk was, moest zij voor het slapen gaan een bordje brei eten. Als de ouders naar bed gingen, zei Jans: ‘Wij eten nog even brei en dan kom ik ook’. Toen ze later haar moeder vertelde dat ze moest trouwen moest, merkte deze op: ‘Dat komt er nou van, van al dat brei eten’.

De derde zus heette Sijtje. Zij was het dametje van de familie. Als de drie zussen thuis aan het werk waren, liep zij met een mandje aan haar arm door het dorp en bracht de zieken soep of iets versterkends. Toen een schilder haar zo zag lopen, vroeg en kreeg hij permissie haar te schilderen. Het portret hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam. Ik ben een keer gaan kijken. Zij was getrouwd met ome Jan Jonker. Een enkele keer ging ome Jan met alle kinderen naar het museum en stond daar met een stentorstem te vertellen dat het hun moeder was die daar hing. En hoe meer mensen er omheen kwamen staan en meeluisterden, hoe liever het hem was. Het maakte de kinderen overigens erg verlegen.

Tante Toontje trouwde met ome Flip Burggraaf. Hij was de bedrijfsleider op de boerderij toen hun vader nog leefde. Als de kinderen geld nodig hadden, vroegen ze dat aan hun vader. Toen deze was gestorven, bleven ze het aan ome Flip vragen. Hij was erg leep en betaalde hun uit eigen zak. Toen ze op een dag weer bij hem aanklopten, zei hij dat ze nergens recht meer op hadden en dat de boerderij nu van hem was. Hij had de boerderij op een slimme manier afbetaald.

Omdat oma geen inkomen had, moesten alle kinderen op de boerderij bij ome Flip werken. Je vader was allergisch voor koeien en werd bakker. Tant Rie was nooit erg sterk, terwijl tante Marleen in Beverwijk ging werken. Ome Jan ging naar tante Marie en tante Trijn in Alphen aan den Rijn. Het waren tante Sijt en ome Piet die het verdienen moesten. Tant Sijt is toen in de verpleging gegaan. Ome Flip was een harde baas. Voor en na schooltijd moest ome Piet melken en als hij een beetje laat thuiskwam, moest hij zonder eten naar bed. Hij sliep op de zolder die over de gehele boerderij liep en was daar vaak bang. Tante Toontje wist dat en ze sleepte de kat door het luik naar boven en gaf hem een boterham.

Oma trouwde molenaar Nikolaas Habermehl. Eerst werden Dirk en Sijtje geboren, gevolgd door een meisje dat jong stierf, dan een zoontje Petrus Marcelis, die naar haar vader was vernoemd. Als ze met Cees van mij op haar schoot zat, was dat net een plaatje. Ze zei dat Cees zoveel op haar Petrus leek. Dat kind was drie maanden oud toen het stierf. Wat moet er door haar zijn heengegaan? Vervolgens werd er weer een zoontje geboren, die Petrus Marcelis werd genoemd. Hij was drie jaar oud toen er een bruiloft was waar oma graag naar toe ging. Ze mocht Petrus op de boerderij bij haar vader brengen. Toen ze ’s avonds terugkwamen en in het rijtuig door het dorp reden, vond ze dat zoveel mensen buiten stonden en naar haar keken. Toen ze bij de boerderij arriveerde, hoorde ze dat Petrus die dag verdronken was.

Sijt was dertien en Dirk veertien jaar oud toen de tyfus op Nieuwveen heerste. Zij waren erg ziek. Oma verpleegde de kinderen samen met het dienstmeisje. Die zondag had het meisje vrij en oma vroeg haar man te helpen de kinderen te verzorgen. Toen ze daarmee klaar waren, vroeg oma haar man om zijn handen in een schaal met lysol te ontsmetten. Hij vond dat maar onzin en deed het niet. Korte tijd later werd hij ziek en stierf. Dirk was niet sterk, de tyfus had hem zwakke nieren bezorgd. Hij deed het werk op de molen, terwijl Sijt met paard en wagen naar de boeren ging.

Na het overlijden van haar man was oma erg ziek. Ome Piet was twee jaar oud en ome Jan een jaar. Bovendien verwachtte ze weer een baby. De baby heeft na de geboorte niet lang geleefd. Ze hebben zo voortgetobd tot Dirk stierf. Hij was nog maar achttien jaar oud. Oma heeft nog geprobeerd om met een bedrijfsleider door te gaan, maar de molen bracht niet genoeg op om er twee gezinnen van te onderhouden. Uiteindelijk heeft ze de molen verkocht. Ik heb die bedrijfsleider gekend. Hij had veel achting voor oma, voor de manier waarop ze haar lot heeft gedragen.

Tante Sijt is altijd een grote steun voor oma geweest. Ze was hard, maar dat was ook wel eens nodig, denk ik. Toen ome Piet niet naar school wilde, kakte hij in zijn broek. Ze nam hem mee naar de sloot, stroopte zijn broek af, maakte zijn achterwerk met een borstel schoon en stuurde hem vervolgens naar school. Hij heeft nooit meer geprobeerd op deze manier onder school uit te komen.

Oma is een keer erg ziek geweest. Tante Sijt kwam terug uit Beverwijk waar ze tante Marleen had bezocht. Juffrouw De Moor en ik zaten te praten toen tante Sijt binnenkwam en plompverloren zei dat ome Evert een auto-ongeluk had gehad. Oma gaf een snik en was bewusteloos. Ik heb daarop dokter Nout gehaald. Hij zei: ‘Laat haar zo liggen tot morgenochtend, dan zullen we verder zien, maar beweeg haar niet’. We hadden haar op de grond gelegd met een kussen onder haar hoofd. Tante Sijt zei dat ze haar moeder niet een nacht op de grond wilde laten liggen. Daarop hebben we een ledikant naar beneden gehaald en haar daarop gelegd. Toen de dokter de volgende ochtend kwam, zei hij dat ze erdoor kwam omdat ze de nacht had overleefd, maat dat we wel bij haar moesten waken. Tante Sijt nam verlof van de Johannes Stichting zodat ze veel kon doen. Ik beloofde elke avond tot twaalf uur te waken en haar op mijn vrije dagen te helpen. Dan riep ik tante Sijt om twaalf ’s nachts en ging ik vervolgens naar mijn moeder om te slapen. Dan moest ik ’s morgens om zeven uur weer op zaal staan. Je vader was ’s zaterdagsmiddags gekomen. We spraken af dat ik hem om twaalf uur zou roepen. Hij lag aangekleed op bed, maar ik kon hem niet wakker krijgen. Ik begreep dat hij een lange dag achter de rug had, dus gaf ik hem tot twee uur, maar toen moest hij toch komen, want ik wilde ook wat slapen. Hij wordt wakker, kijkt op zijn horloge en zegt: ‘De geest was gewillig Nel, maar het vlees was zwak’. Zij is gelukkig weer helemaal beter geworden.

Later zijn ome Piet en ik bij haar gaan wonen. Zij moest wat geld hebben, want ze verloor haar kostgeld van juffrouw De Moor. Er was familieberaad. Rie, Marleen, iedereen was er. Terwijl ik in de keuken kookte, was er afgesproken wat en hoe ze in het vervolg zouden doen. Ik wist niet wat de afspraken waren. Ik zat naast je vader voor een kopje thee alvorens te vertrekken, toen tante Rie nog eens met nadruk aangaf hoeveel iedereen zou bijdragen. Je vader kijkt me aan en zegt: ‘Van haar zullen we het voorlopig niet verliezen’. Hij sprak naar mijn gevoel alleen als hij wat te zeggen had. Maar die korte zinnen spraken boekdelen.

Ik hield van oma Schellingerhout en ging nogal eens een kopje thee bij haar drinken. Het kostte me elke keer een dag van mijn leven als ik mijn fiets over die smalle sluis moest dragen.

Leen van mij was geboren. Ze was drie weken oud toen je moeder me kwam bezoeken. Jij, drie jaar oud, kwam toen mee. Je moeder en ik zaten binnen te praten. Leen lag in de kinderwagen op het plaatsje. Toen je moeder weg zou gaan en we naar je zochten, bleek dat je Leen uit de wagen had gehaald, haar op de stenen had gelegd en was je bezig was de wagen op te maken. Je moeder zei: ‘Laat ze maar, dat doet ze thuis zo vaak’.

Je moeder en ome Piet konden goed met elkaar opschieten. Toen je vader buiten het dorp ging werken, fietste ome Piet op haar vrije avond mee naar Tolhuis. Alleen in het donker langs de Aar fietsen vond ze eng. Toen ome Piet [tijdens de Tweede Wereldoorlog] in de gevangenis zat, ben ik vaak jaloers op haar geweest. Je moeder verwachtte Piet en je kon goed zien dat ze zwanger was. Dan zei ze dat ze mevrouw Habermehl was en of ze Piet Habermehl mocht bezoeken. Soms kreeg ze hem te zien, maar altijd kon ze een pakje voor hem afgeven met wat fruit of een ‘lekkertje’, terwijl ik in Den Haag uren in een Duitse wachtkamer zat om uiteindelijk te horen: ‘Es tut mir Leit, aber …’

Heb je weleens bij haar achterop de motor gezeten? We waren in Rijswijk. Ik weet niet in welke straat, want het ging te vlug om de straatnamen te lezen. De tram reed ons voorbij. Toen de bestuurder om haar te waarschuwen zijn wijsvinger opstak, zwaaide ze uitbundig terug.

Oma was een lieve vrouw. Trouwens ze had iets ondefinieerbaars. Je moest van haar houden of je wilde of niet. De molen heette ‘Het Fortuijn’. Ze waren er niet fortuinlijk op geweest, maar het heeft hen niet gebroken.

Laten we God danken dat we hen hebben mogen kennen en Hem vragen om iets van hun geduld en liefde voor anderen in ons over te brengen.

Australië, 2 april 1992


Jans Kapteijn-Reijneveld

Eerst iets over mijzelf. Ik heb drie jaar geleden een attaque gehad. Daardoor ben ik halfzijdig verlamd geweest. Ik ben weer aardig bijgekomen, maar de rechterzijde is nog niet best. Het schrijven kost mij veel moeite. Vandaar dit slechte schrift.

Ik woon nu sinds vijf maanden in een bejaardentehuis te Koudekerk aan den Rijn. Wij woonden eerst in Schathaar, in een protestants militair tehuis. Toen zijn we overgeplaatst naar een protestants militair tehuis in Duitsland. Daarna met pensioen naar Nijverdal, waar mijn man is overleden. Op zijn rouwkaart stond een gedicht van Nel Benschop. Vervolgens ben ik in Alphen aan den Rijn gaan wonen. Vandaar ben ik naar Koudekerk aan den Rijn gegaan.

Onze zoon woont nu op de boerderij van mijn ouders Agrien Reijneveld en Willemien van Bemmel. Dan had je Bastiaan van Bemmel in Woerden. Zijn vrouw was Neeltje Becker. Verder was er Marcelis van Bemmel, die was getrouwd met Christina Stigter. Zij woonden in Barneveld. Dan Toontje van Bemmel en Flip Burggraaf. Zij woonden in Nieuwveen op een boerderij [‘Livonia’] schuin tegenover de molen. Verder waren er nog je oma Magdalena, mijn moeder Willemien (tante Mien) en Sijtje van Bemmel, getrouwd met Jan Jonker. Mijn opa Piet van Bemmel en Sijtje Verweij kwamen vanuit Zeist naar Nieuwveen. In Zeist liggen nog wel vier of zes jonge kinderen begraven.

Omdat oom Klaas, jouw grootvader, jong is gestorven, en er geen inkomsten waren, verbleven Marie en Lena veel bij mijn ouders. De andere waren vaak bij oom Flip en tante Toontje. Oom Flip was geen prettig iemand.

Ik was met Dirk Schellingerhout op de bruiloft van je ouders. Na die tijd ging ik telkens een weekje helpen naaien. Je moeder kwam nogal eens een dagje op de fiets naar mijn ouders. Ik heb veel contact met nicht Mien van Bemmel. Die heeft een stamboekje van de familie Van Bemmel.

Ik heb veel goede herinneringen aan jullie gezin, je ouders en je oma, tante Lena. Hoe arm ze het ook hadden, ik was er graag.

Koudekerk aan den Rijn, 5 april 1992