Verhalen uit de familie Habermehl

Artikelindex

Jan Habermehl

Ik heb meer familie niet gekend dan wel, te beginnen met mijn grootouders. Zij waren reeds overleden toen ik werd geboren of stierven anders heel kort daarna. Zo ook mijn vader Nikolaas, die luisterde naar de naam Klaas. Hij overleed in januari 1918 ten tijde van de Spaanse griepepidemie, die in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog in Nederland woedde 1).

Mijn grootouders van moeders kant heetten Van Bemmel. Zij waren koeboer in Zeist. Omstreeks de eeuwwisseling vestigden zij zich in Nieuwveen op de boerderij ‘Livonia’. Mijn moeder had, voor zover ik ze gekend heb, drie zusters: tante Toontje, tante Mina en tante Sijt, en twee broers: ome Bas en ome Celis. Ome Bas van Bemmel uit Woerden was voor mij de bekendste. Daar kwam ik graag.

Vader is in 1878 te Nieuwveen op de korenmolen ‘Het Fortuijn anno 1800’ geboren. Hij had drie zusters. De oudste, Christina, was gehuwd met Sjoerd Voetberg, afkomstig uit Heerenveen. Zij zijn naar Amerika vertrokken. Een dochter van hen, Hilda, is omstreeks 1950 in Nederland geweest. Zijn andere twee zusters, Maria Petronella en Trijntje, zijn ongetrouwd gebleven. Na het huwelijk van mijn vader en moeder vestigden zij zich eerst in Nieuwkoop en later in Alphen aan den Rijn. De tantes voorzagen in hun levensonderhoud door het houden van commensaals (kostgangers). Beiden waren vaardig in handwerken. Zij hadden donkere ogen. De ogen van mijn moeder waren grijs-groen.

Moeder is op 9 februari 1878 in Zeist geboren. Later is zij met haar ouders naar Nieuwveen gekomen. Hier heeft zij haar man ontmoet. Zij zijn in 1903 getrouwd. Haar leven is niet over rozen gegaan. Zelf heeft mijn moeder, voor zover ik kan nagaan, nooit over dat moeilijke leven gesproken. Het gezin Habermehl heeft uit elf kinderen bestaan, waarvan een aantal jong aan ingewandstoornissen is overleden. Eén jongetje is op driejarige leeftijd verdronken. Toen vader en moeder Habermehl naar een bruiloft waren, had opa Van Bemmel het toezicht over de kinderschaar. In een onbewaakt ogenblik is Petrus Marcelis te water geraakt en verdronken. Dit heeft haar erg getroffen. Zij ging nooit weg en nu ze een keer Nieuwveen verliet, overkwam haar dit. Van ome Jan Jonker heb ik gehoord dat dit wel één van de zwaarste klappen voor haar is geweest.

Vader overleed zoals gezegd in januari 1918, slechts 39 jaar oud. Mijn moeder bleef achter met een bedrijf en zeven jonge kinderen. Enkele maanden na het overlijden van mijn vader is er nog een kind geboren, Bastiaan, maar hij heeft slechts een maand geleefd. Droefenis alom, maar het leven ging door. Nu was mijn oudste broer Dirk circa dertien jaar oud toen mijn vader overleed. Hij moest op de molen werken, samen met de twee of drie knechts. Onder hen bevond zich de vader van je oom Wim van Harten, een zeer aangenaam mens, aan wie ik nog wel eens terugdenk. Toen kwam het jaar 1923. Er heerste in die dagen een tyfusepidemie. Dirk, voorbestemd als molenaar, werd ziek en overleed binnen een week. Ik was zes jaar oud en herinner mij daar nog iets van.

Na het overlijden van Dirk waren er nog zes kinderen van wie tante Sijt de oudste was. Zij heeft hard meegewerkt om de zaak draaiende te houden. Omdat het zakenleven voor een vrouw moeilijk was, de concurrentie toenam en je vader nog maar een jaar of tien à elf was, werd besloten de molen te verkopen. Dat zal omstreeks 1925 zijn geweest. De molen is verkocht aan de uit Aarlanderveen afkomstige P.C. Walraven, die er nog zo’n tien jaar mee heeft gemalen. Hij heeft de molen in 1935 laten afbreken. ‘Het Fortuijn anno 1800’ bestond niet meer. Maar wel de weduwe Habermehl met haar zes kinderen. De oude dorpsgenoten noemden mijn moeder ‘de vrouw van de molen’.

Moeder Habermehl is 70 jaar oud geworden. Zij is in Nieuwveen blijven wonen. Er is een hechte band geweest tussen de broers en zusters Habermehl die door de omstandigheden naar elkaar toe werden gedreven. Niet dat we zo gemakkelijk waren. Dat niet, want we trokken aan de teugels. Vooral Piet en ik. De anderen waren wat ouder en vermoedelijk wijzer. Jouw vader was als kind vrij stil. Hij had een vriend, Jan van Egmond, een neef van je moeder, ook al niet zo’n druktemaker. Je moet maar rekenen dat die twee pantomime speelden, want ze zeiden weinig of niets. Je vader ontmoette Ant Schellingerhout met wie hij zich op 9 februari 1932 verloofde. Het was een koude dag. Zij trouwden op 4 april 1935, een slechte dag met storm en regen. Het zijn dagen die ik niet vergeet.

De familie Schellingerhout uit Tolhuis heeft zeker een rol in ons leven gespeeld. Wij gingen vriendschappelijk met elkaar om, vooral met je ome Dirk, ome Piet, tante Rie en tante Stijni. Met je ome Henk trokken we minder op. Die was wat jonger. Je grootmoeder en naamgenote, door ons tante Klaar genoemd, was een buitengewoon lieve vrouw. Met je grootvader ome Henk waren we ook wel groots, maar anders. Je moet begrijpen dat wij geen vader gewend waren. Als één van mijn vriendjes een schrobbering of een pets om zijn oren kreeg, heb ik wel eens in stilte gedacht: ‘Die klap loop ik lekker mis, want de vader die dat doet, is afwezig’. Dat wil overigens niet zeggen dat mijn moeder met zich liet sollen.

Mijn moeder was altijd donker gekleed. Zij was een stille vrouw, maar toch ook één die kon lachen. Als ze op haar verjaardag een cadeautje kreeg, zei ze: ‘Bedankt’ en legde het pakje ongeopend weg met de mededeling dat ze het later wel zou bekijken. Op een dag was Rie jarig. Na een dag vergeefs wachten zei ze ’s avonds tegen haar moeder: ‘Zou je me niet eens feliciteren?’ ‘Waarmee dan?’ vroeg moeder. ‘Nou, omdat je dochter Rie vandaag toevallig jarig is’. Ze had er in het geheel niet aan gedacht. Op een dag kwam je moeder op bezoek. Zij had een deftig hoedje op. Met de woorden: ‘Zo moeder, daar ben ik’, begroette zei haar schoonmoeder. Zonder dat er naar gevraagd werd, zei moeder Habermehl: ‘Die hoed heb je zeker op de markt gekocht?’. Of ze wou zeggen: ‘Had je niet wat anders kunnen kopen?’

Wat ik uitdrukkelijk wil zeggen, is dat mijn moeder een zwaar leven heeft gehad. Maar ze bezat een vitale kracht en die vond ze volgens mij in het geloof. Zij had een Vader in de Hemel waar zij zeker mee gevochten heeft, maar die haar vasthield en haar door alles heen leidde. Hopende dat dit ook van ons gezegd kan worden.

Zwolle, april 1986

---
1) Dat Nikolaas Habermehl in januari 1918 aan de Spaanse griep is overleden, is onwaarschijnlijk, aangezien deze ziekte pas in de zomer van 1918 in Nieuwveen heerste. Waarschijnlijk is hij gestorven aan de tyfus, zoals in het verhaal van Nel Habermehl-Buijtenhek valt te lezen.