Verhalen uit de familie Habermehl

Artikelindex

Nel Habermehl-Buijtenhek

Ome Piet en ik hebben een paar jaar bij oma in huis gewoond voordat ze stierf. Als zij dan met Cees of Leen op schoot zat, kon ze zo mooi van vroeger vertellen. Haar vader [Petrus Marcelis van Bemmel] was eigenaar [pachter] van de boerderij ‘Livonia’ waar nu Reijneveld woont. Er waren vier meisjes en twee jongens. Oma, tante Mina en tante Toontje werkten op de boerderij. Zij hielpen met melken, kaas en boter maken en met slachten en inmaken. Voor alle dochters moest er een veren bed en kussens worden gemaakt, voor als ze gingen trouwen. Die veren kregen ze door het dons te vergaren dat aan de nek van kippen en eenden zat. De tijk, die gebruikt werd om de veren in te doen, werd met kaarsvet ingewreven. Dat vergde veel werk. Toen ik naar Australië ging, heb ik dat bed meegenomen en er later kussens van gemaakt. Daarbij heb ik hetzelfde tijk gebruikt dat oma en haar zussen bewerkt hadden om de veren er in te houden. Toen ik niet genoeg had, kon ik van een Poolse man tijk kopen dat met de machine was gemaakt. Het was erg duur.

Ome Bas had een boerderij in Woerden. Hij had twee zoons en twee dochters. Het was daar echt gezellig en je was er altijd welkom. Het was een ouderwetse boerderij met het woonhuis op slot. Ze woonden in een kamertje opzij van de koestal. Ome Piet en ik waren er een keer per fiets op visite. Voordat we vertrokken, vroeg ik een van de meisjes waar de W.C. was. Ze keek even in het rond en zei toen: ‘Die is buiten’, en ze wees me waar het was. Ik durfde er bijna niet naar binnen te gaan, zo schoon was het. Toen ik terugkwam, zat een van de meisjes het hare in de groep te doen. Geen wonder dat ze de plaats van de W.C. was vergeten en dat het er zo schoon was.

Tante Mien trouwde en woonde daarna op een boerderij bij Leiden. Zij hadden een dochter: Jans. Zij had een vriend die vaak ’s avonds op bezoek kwam. Omdat Jans niet zo sterk was, moest zij voor het slapen gaan een bordje brei eten. Als de ouders naar bed gingen, zei Jans: ‘Wij eten nog even brei en dan kom ik ook’. Toen ze later haar moeder vertelde dat ze moest trouwen moest, merkte deze op: ‘Dat komt er nou van, van al dat brei eten’.

De derde zus heette Sijtje. Zij was het dametje van de familie. Als de drie zussen thuis aan het werk waren, liep zij met een mandje aan haar arm door het dorp en bracht de zieken soep of iets versterkends. Toen een schilder haar zo zag lopen, vroeg en kreeg hij permissie haar te schilderen. Het portret hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam. Ik ben een keer gaan kijken. Zij was getrouwd met ome Jan Jonker. Een enkele keer ging ome Jan met alle kinderen naar het museum en stond daar met een stentorstem te vertellen dat het hun moeder was die daar hing. En hoe meer mensen er omheen kwamen staan en meeluisterden, hoe liever het hem was. Het maakte de kinderen overigens erg verlegen.

Tante Toontje trouwde met ome Flip Burggraaf. Hij was de bedrijfsleider op de boerderij toen hun vader nog leefde. Als de kinderen geld nodig hadden, vroegen ze dat aan hun vader. Toen deze was gestorven, bleven ze het aan ome Flip vragen. Hij was erg leep en betaalde hun uit eigen zak. Toen ze op een dag weer bij hem aanklopten, zei hij dat ze nergens recht meer op hadden en dat de boerderij nu van hem was. Hij had de boerderij op een slimme manier afbetaald.

Omdat oma geen inkomen had, moesten alle kinderen op de boerderij bij ome Flip werken. Je vader was allergisch voor koeien en werd bakker. Tant Rie was nooit erg sterk, terwijl tante Marleen in Beverwijk ging werken. Ome Jan ging naar tante Marie en tante Trijn in Alphen aan den Rijn. Het waren tante Sijt en ome Piet die het verdienen moesten. Tant Sijt is toen in de verpleging gegaan. Ome Flip was een harde baas. Voor en na schooltijd moest ome Piet melken en als hij een beetje laat thuiskwam, moest hij zonder eten naar bed. Hij sliep op de zolder die over de gehele boerderij liep en was daar vaak bang. Tante Toontje wist dat en ze sleepte de kat door het luik naar boven en gaf hem een boterham.

Oma trouwde molenaar Nikolaas Habermehl. Eerst werden Dirk en Sijtje geboren, gevolgd door een meisje dat jong stierf, dan een zoontje Petrus Marcelis, die naar haar vader was vernoemd. Als ze met Cees van mij op haar schoot zat, was dat net een plaatje. Ze zei dat Cees zoveel op haar Petrus leek. Dat kind was drie maanden oud toen het stierf. Wat moet er door haar zijn heengegaan? Vervolgens werd er weer een zoontje geboren, die Petrus Marcelis werd genoemd. Hij was drie jaar oud toen er een bruiloft was waar oma graag naar toe ging. Ze mocht Petrus op de boerderij bij haar vader brengen. Toen ze ’s avonds terugkwamen en in het rijtuig door het dorp reden, vond ze dat zoveel mensen buiten stonden en naar haar keken. Toen ze bij de boerderij arriveerde, hoorde ze dat Petrus die dag verdronken was.

Sijt was dertien en Dirk veertien jaar oud toen de tyfus op Nieuwveen heerste. Zij waren erg ziek. Oma verpleegde de kinderen samen met het dienstmeisje. Die zondag had het meisje vrij en oma vroeg haar man te helpen de kinderen te verzorgen. Toen ze daarmee klaar waren, vroeg oma haar man om zijn handen in een schaal met lysol te ontsmetten. Hij vond dat maar onzin en deed het niet. Korte tijd later werd hij ziek en stierf. Dirk was niet sterk, de tyfus had hem zwakke nieren bezorgd. Hij deed het werk op de molen, terwijl Sijt met paard en wagen naar de boeren ging.

Na het overlijden van haar man was oma erg ziek. Ome Piet was twee jaar oud en ome Jan een jaar. Bovendien verwachtte ze weer een baby. De baby heeft na de geboorte niet lang geleefd. Ze hebben zo voortgetobd tot Dirk stierf. Hij was nog maar achttien jaar oud. Oma heeft nog geprobeerd om met een bedrijfsleider door te gaan, maar de molen bracht niet genoeg op om er twee gezinnen van te onderhouden. Uiteindelijk heeft ze de molen verkocht. Ik heb die bedrijfsleider gekend. Hij had veel achting voor oma, voor de manier waarop ze haar lot heeft gedragen.

Tante Sijt is altijd een grote steun voor oma geweest. Ze was hard, maar dat was ook wel eens nodig, denk ik. Toen ome Piet niet naar school wilde, kakte hij in zijn broek. Ze nam hem mee naar de sloot, stroopte zijn broek af, maakte zijn achterwerk met een borstel schoon en stuurde hem vervolgens naar school. Hij heeft nooit meer geprobeerd op deze manier onder school uit te komen.

Oma is een keer erg ziek geweest. Tante Sijt kwam terug uit Beverwijk waar ze tante Marleen had bezocht. Juffrouw De Moor en ik zaten te praten toen tante Sijt binnenkwam en plompverloren zei dat ome Evert een auto-ongeluk had gehad. Oma gaf een snik en was bewusteloos. Ik heb daarop dokter Nout gehaald. Hij zei: ‘Laat haar zo liggen tot morgenochtend, dan zullen we verder zien, maar beweeg haar niet’. We hadden haar op de grond gelegd met een kussen onder haar hoofd. Tante Sijt zei dat ze haar moeder niet een nacht op de grond wilde laten liggen. Daarop hebben we een ledikant naar beneden gehaald en haar daarop gelegd. Toen de dokter de volgende ochtend kwam, zei hij dat ze erdoor kwam omdat ze de nacht had overleefd, maat dat we wel bij haar moesten waken. Tante Sijt nam verlof van de Johannes Stichting zodat ze veel kon doen. Ik beloofde elke avond tot twaalf uur te waken en haar op mijn vrije dagen te helpen. Dan riep ik tante Sijt om twaalf ’s nachts en ging ik vervolgens naar mijn moeder om te slapen. Dan moest ik ’s morgens om zeven uur weer op zaal staan. Je vader was ’s zaterdagsmiddags gekomen. We spraken af dat ik hem om twaalf uur zou roepen. Hij lag aangekleed op bed, maar ik kon hem niet wakker krijgen. Ik begreep dat hij een lange dag achter de rug had, dus gaf ik hem tot twee uur, maar toen moest hij toch komen, want ik wilde ook wat slapen. Hij wordt wakker, kijkt op zijn horloge en zegt: ‘De geest was gewillig Nel, maar het vlees was zwak’. Zij is gelukkig weer helemaal beter geworden.

Later zijn ome Piet en ik bij haar gaan wonen. Zij moest wat geld hebben, want ze verloor haar kostgeld van juffrouw De Moor. Er was familieberaad. Rie, Marleen, iedereen was er. Terwijl ik in de keuken kookte, was er afgesproken wat en hoe ze in het vervolg zouden doen. Ik wist niet wat de afspraken waren. Ik zat naast je vader voor een kopje thee alvorens te vertrekken, toen tante Rie nog eens met nadruk aangaf hoeveel iedereen zou bijdragen. Je vader kijkt me aan en zegt: ‘Van haar zullen we het voorlopig niet verliezen’. Hij sprak naar mijn gevoel alleen als hij wat te zeggen had. Maar die korte zinnen spraken boekdelen.

Ik hield van oma Schellingerhout en ging nogal eens een kopje thee bij haar drinken. Het kostte me elke keer een dag van mijn leven als ik mijn fiets over die smalle sluis moest dragen.

Leen van mij was geboren. Ze was drie weken oud toen je moeder me kwam bezoeken. Jij, drie jaar oud, kwam toen mee. Je moeder en ik zaten binnen te praten. Leen lag in de kinderwagen op het plaatsje. Toen je moeder weg zou gaan en we naar je zochten, bleek dat je Leen uit de wagen had gehaald, haar op de stenen had gelegd en was je bezig was de wagen op te maken. Je moeder zei: ‘Laat ze maar, dat doet ze thuis zo vaak’.

Je moeder en ome Piet konden goed met elkaar opschieten. Toen je vader buiten het dorp ging werken, fietste ome Piet op haar vrije avond mee naar Tolhuis. Alleen in het donker langs de Aar fietsen vond ze eng. Toen ome Piet [tijdens de Tweede Wereldoorlog] in de gevangenis zat, ben ik vaak jaloers op haar geweest. Je moeder verwachtte Piet en je kon goed zien dat ze zwanger was. Dan zei ze dat ze mevrouw Habermehl was en of ze Piet Habermehl mocht bezoeken. Soms kreeg ze hem te zien, maar altijd kon ze een pakje voor hem afgeven met wat fruit of een ‘lekkertje’, terwijl ik in Den Haag uren in een Duitse wachtkamer zat om uiteindelijk te horen: ‘Es tut mir Leit, aber …’

Heb je weleens bij haar achterop de motor gezeten? We waren in Rijswijk. Ik weet niet in welke straat, want het ging te vlug om de straatnamen te lezen. De tram reed ons voorbij. Toen de bestuurder om haar te waarschuwen zijn wijsvinger opstak, zwaaide ze uitbundig terug.

Oma was een lieve vrouw. Trouwens ze had iets ondefinieerbaars. Je moest van haar houden of je wilde of niet. De molen heette ‘Het Fortuijn’. Ze waren er niet fortuinlijk op geweest, maar het heeft hen niet gebroken.

Laten we God danken dat we hen hebben mogen kennen en Hem vragen om iets van hun geduld en liefde voor anderen in ons over te brengen.

Australië, 2 april 1992